Jan Hendrik Leopold ('s-Hertogenbosch, 11 mei 1865 – Rotterdam, 21 juni 1925) was een Nederlands dichter en classicus die wordt gerekend tot het symbolisme. Hij wordt door sommigen beschouwd als de belangrijkste Nederlandse dichter sinds Vondel.Frank J. Warnke, 'Dutch Poetry.' Alex Preminger (red.), Princeton Encyclopedia of Poetry and Poetics. Enlarged Edition 1974. First Edition 1965. Princeton, New Jersey: Princeton University Press, 211, Na zijn debuut met door Gorter en Mallarmé beïnvloede gedichten, vertoont zijn poëzie vanaf 1900 filosofische verdieping van vooral de Stoa, na 1915 vermengd met oosters-religieuze elementen. Leopolds bekendste werken zijn gedichten die vaak in bloemlezingen te vinden zijn. Zijn gedicht 'O nachten van gedragene extase' geldt algemeen als één der mooiste liefdesgedichten uit de Nederlandse literatuur.Anne Marie Musschoot, 'J.H. Leopold: Nu anders te lezen.' Ons Erfdeel, 1985, 203. Gearchiveerd op 12 maart 2023. Ook veel bewonderd zijn het epische gedicht Cheops uit 1915 en de naar Arabische en Perzische dichters gemodelleerde kwatrijnen in Oostersch uit 1922.
Na het Stedelijk Gymnasium Arnhem te hebben doorlopen studeerde Leopold klassieke talen aan de Universiteit Leiden. Hij promoveerde in 1892 op het proefschrift Studia Peerlkampiana. Na de afronding van zijn dissertatie werd Leopold in 1891 leraar klassieke talen aan het Erasmiaans Gymnasium te Rotterdam, totdat hij in 1924 vanwege doofheid werd afgekeurd. Zijn persoonlijkheid maakte diepe indruk op de leerlingen. In 1902 publiceerde hij een beknopte filologische studie over Spinoza, drie jaar later gevolgd door een artikel. Op zijn vakgebied publiceerde Leopold artikelen in vaktijdschriften; in 1908 verscheen bij de Clarendon Press zijn editie van Marcus Aurelius. Daarnaast publiceerde hij in de krant over onder meer Honoré de Balzac en Ludwig van Beethoven. Leopold was een fanatiek muziekliefhebber die graag concerten bezocht en piano speelde; bij beide activiteiten betrok hij ook weleens een (oud-)leerling. Daarnaast was hij een enthousiast bergbeklimmer en schaatser.
Zijn werk draait om de tegenstelling tussen het verlangen in een groter romantisch of metafysisch verband op te gaan en de onmogelijkheid om buiten de eigen persoonlijkheid te treden. Drie perioden worden in het oeuvre onderscheiden. In de eerste periode (1893-1900) vertonen zijn verzen de invloed van de prerafaëlieten; in de tweede periode (1900-1915), die enkele langere gedichten opleverde, is de klassieke filosofie, onder meer de Stoa en Epicurus, een dominante invloed; in de derde periode (1915-1925) is de rationele filosofie teruggedrongen en gecombineerd met religieuze, oosterse elementen, waardoor de poëzie mystiek genoemd kan worden.Bel (2015), 212-213 De symbolistische dichter probeert in zijn gedichten uitzicht te bieden op een hogere wereld, een pretentie die bij Leopold niet waargemaakt wordt. Daarom wordt hij wel een 'dissidente' symbolist genoemd, of zelfs een modernist.Bel (2015), 212 Tijdens zijn leven publiceerde hij gedichten in tijdschriften, waarvan Cheops ook als boekje verscheen, en twee bundels.
Levensloop Jeugd thumb|Leopold in 1886 geschilderd door Martin van Andringa.Hulsker (1970), 6 thumb|Kerst 1920, Leopold in Pontresina.Hulsker (1970), 13 Jan Hendrik Leopold werd op 11 mei 1865 te 's-Hertogenbosch geboren als oudste van vijf kinderen van Martinus Leopold en Anna Elizabet Plaat. In december verhuisde het gezin naar Goes, omdat Martinus, die leraar aan de Rijkskweekschool voor Onderwijzers was, een aanstelling verwierf als directeur van de HBS. In augustus 1870 volgde de aanstelling als directeur van de Kweekschool voor Onderwijzeressen te Arnhem. In Arnhem doorliep Leopold de lagere school en het gymnasium.
In 1883 schreef hij zich als letterenstudent in aan de Rijksuniversiteit Leiden. Hij sloot zich aan bij het Leidsch Studentencorps en werd lid van 'Literis Sacrum', het literair dispuut. Hiervoor hield hij enkele verhandelingen en droeg eigen gedichten voor. In 1886-1887 was hij de praeses.
In 1885 of 1886 was hij korte tijd verloofd met Aaffiene Rijkens ('Fimi').Op 1 oktober 1896 trouwde zij in Groningen met zijn broer Johannes Leopold. Nadat Aaffiene de relatie beëindigd had, schreef Leopold drieëndertig gedichten, die hij zorgvuldig in een album van donkerrood leer samenbracht en aan haar gaf. De gedichten handelen over het verdriet over de voorbije relatie en mogelijk trachtte hij haar met zijn poëzie van gedachten te doen veranderen.Sötemann (1989), 154 Leopoldkenner A.L. Sötemann omschrijft de bundel als een 'stroom van taal- en dichtcliches' van een 'volstrekt onpersoonlijk, kleurloos beeldgebruik.' De dichter doet vooral Heine na, maar dan zonder diens ironie, scepsis of bitterheid.Sötemann (1989), 155-156
Op 27 mei 1889 legde hij cum laude het doctoraal examen klassieke letteren af.
Loopbaan Van september tot en met december 1889 vervulde Leopold zijn eerste betrekking: aan het gymnasium te Deventer was hij tijdelijk leraar Grieks, Latijn en oude geschiedenis. Van februari tot en met april 1890 verbleef hij voor het eerst in Italië. Hetzelfde jaar maakte hij bij een diner ter gelegenheid van een promotieplechtigheid kennis met de schrijver Frederik van Eeden en de dichter-letterkundige Albert Verwey.
Per 1 januari 1891 werd hij aan het Erasmiaans Gymnasium in Rotterdam aangesteld als leraar klassieke talen; per 1 maart 1892 had hij een vaste aanstelling.Van Halsema (2011), 8 Tot 1924 zou hij deze betrekking vervullen.Van Halsema (2022), p. 19 Leopold vestigde zich op 2 maart 1892 aan de Binnenweg 121a (de latere Oude Binnenweg) te Rotterdam, waar hij bleef wonen tot omstreeks begin 1896. In januari 1892 was hij gepromoveerd aan de Universiteit Leiden op Studia Peerlkampiana, een dissertatie over de Horatiusstudies van P.H. Peerlkamp. In deze periode was hij kortstondig verloofd met de een half jaar oudere Aaffiene Rijkens (Fimi), die in 1896 met Leopolds jongere broer Joes trouwde. Hierna zou Leopold geen liefdesrelaties meer beginnen.
In 1896 verhuisde hij naar kamers aan de Van Oldenbarneveltstraat 121, welk adres omstreeks 1909 werd omgenummerd naar 101b. Hier woonde hij tot januari 1925.
In de jaren 1896-1903 bevond zich F. Schmidt-Degener onder zijn leerlingen, die vanwege ziekte achterstand had opgelopen en in 1897 's avonds bijles Latijnse grammatica bij Leopold thuis kreeg. Na het uur les bracht Leopold boeken, partituren en reproducties onder zijn aandacht, alsmede de poëzie van onder meer José-Maria de Heredia.Van Halsema (2022), p. 20-21
In deze periode circuleerden onder de leerlingen afschriften van Leopolds gedichten die in De nieuwe gids verschenen waren.Van Halsema (2022), p. 20Koenen (2002), 15 Schmidt-Degener gaf de volgende beschrijving van Leopolds wezen:
Leopold stond naast en eigenlijk tegenover zijn omgeving. Van den ander ondervond hij allereerst het verschil in persoonlijkheid, en de verhouding tot die nieuwe medemens, de voorzichtige appreciatie van die verhouding, nam een groot deel van zijn gevoelsleven in. Naast en tegenover de anderen betekent naast en tegenover de wereld; hij zocht welbewust de eenzaamheid en hem viel die ware eenzaamheid te beurt, waarin het ontberen der anderen besloten ligt. Zulk een gemis beseffen heet de vriendschap kennen: en niemand die de vriendschap hoger droeg. Er zullen er meer geweest zijn die als knaap zijn invloed aanvaardden; konden ze ooit, ondanks blijvende bewondering, heenstappen over een barrière van schroomvalligheid? Voor vertrouwder aanraking stelde hij zijn intuïtief-strenge eisen en een omgang van jaren zelfs nam het wisse vermoeden niet weg dat zijn neiging telkens en telkens tussen omgang en eenzaamheid aarzelde.Schmidt-Degener (1927), 35
In het schooljaar 1899-1900 werd in Duitsland de diagnose gesteld dat de toenemende doofheid van Leopold ongeneeslijk is.Van Halsema (2022), p. 23 In dit jaar zat Schmidt-Degener weer bij hem in de klas en kwam bij hem thuis, waar Leopold hem onder meer uitvoerig onderhield over de vijftiende-eeuwse schilder Rogier van der Weyden.Van Halsema (2022), p. 24 Ook testte Leopold zijn filosofische overtuigingen op hem uit, met name Descartes en Spinoza.
Andere onderwerpen besprak Leopold met zijn collega en leeftijdgenoot Kronenberg; Leopold had grote belangstelling voor politiek en voor het nieuws uit de krant.
Rond de eeuwwisseling begon een periode van ongeveer vijftien jaar waarin Leopold zich in de filosofie verdiepte. Spinoza was de eerste die hij toen begon te bestuderen; hij publiceerde een boekje over de latiniteit van Spinoza en vertaalde een werk van hem. Bij de samenstelling van zijn filosofische canon ging het Leopold niet alleen om het gedachtegoed, volgens onderzoeker Dick van Halsema moest hij ook van de bijbehorende filosofen kunnen houden. Bovendien hield hij niet van denkers die zich al te literair uitdrukten, maar van 'precieze, zuinige' filosofen: 'De poëzie deed hij er zélf wel bij.'Dick van Halsema, 'Het teleurgestelde intellect', Trouw, 9 november 1990 Het resultaat is een lijst namen waarop veel namen ontbreken die bij veel literatoren populair zijn als Arthur Schopenhauer, Friedrich Nietzsche en Henri Bergson. Ook het Duitse idealisme van onder meer Johann Gottlieb Fichte en Georg Wilhelm Friedrich Hegel had volgens Van Halsema Leopolds belangstelling niet. Hij hield van denkers als Spinoza en David Hume.Van Halsema (1990)
Hij was inmiddels begonnen artikelen aan de Nieuwe Rotterdamsche Courant bij te dragen: in 1899 over Balzac, in 1900 over Beethoven.
Rond 1900 werd hij wat vertrouwelijker in zijn vriendschap met Schmidt-Degener, die hij tijdens wandelgesprekken te midden van het straatrumoer aan de Gelderse kade in Rotterdam onderhield over onderwerpen als het Griekse drama en Catullus.Van Halsema (2022), p. 25 Van 1901 tot 1903 sprak Leopold vooral over Descartes en Spinoza, door Schmidt Degener omschreven als 'de alleenheerser die over zijn geest heerste'.Geciteerd bij Van Halsema (2022), p. 26
In 1904 vertaalde hij Epictetus, Stoïsche wijsheid. In 1906 publiceerde hij een essay over Omar Khayyam in de Nederlandsche Spectator.
Vanaf 1907 begon de vriendschap met Schmidt Degener te bekoelen, in de woorden van Van Halsema vanwege 'een duistere ontwikkeling in Leopold, in wie het wantrouwen tegen anderen, nabijen allengs de overhand begon te krijgen.'Van Halsema (2022), p. 26
In 1908 bereikte hij het hoogtepunt van zijn wetenschappelijke vakpublicaties met de verschijning bij de Clarendon Press te Oxford van zijn Marcus Aurelius-editie. Deze uitgave, die meerdere malen herdrukt werd, stond internationaal in hoog aanzien.
In 1910 verscheen Uit den tuin van Epicurus, met (gedeeltelijke) vertalingen van De rerum natura en andere, met Epicurus verband houdende fragmenten. Volgens Mieke Koenen trachtte Leopold de Latijnse woordvolgorde zoveel mogelijk na te volgen. Hier en daar was hij genoopt iets toe te voegen dat niet in het origineel stond of dit aan te dikken, omdat hij ruimte overhield op de versregels. Het dichterlijke gehalte van zijn vertaling overtreft soms het origineel.Koenen (2002), 77-78
Leopold was een geliefde leraar en onderhield met enkele (oud-)leerlingen vriendschapsbanden, bijvoorbeeld met J.Sj. Brouwer, die in de periode 1914-1917 nauw bevriend met de dichter was. Brouwer – door Leopold steevast Brouwers met een s genoemd – bezocht de dichter elke maandagavond van zeven uur tot half elf, waarna ze samen uitgingen, na de hele avond te hebben besteed met praten en musiceren. In deze jaren begon doofheid de dichter in de omgang te hinderen, maar bij muziek leek hij daarvan geen last te hebben. Leopold was een enthousiast pianist en muziekliefhebber, met een voorliefde voor de vierhandige composities van Schubert en Slavische componisten als Bedřich Smetana, Tschaikowsky, Rachmaninoff, Dvorak.Brouwer (1925). Bach, Beethoven, Chopin, later Cesar Franck. Leopold hield niet van Brahms en Schumann.